zaterdag, augustus 24, 2019
Lettergrootte

Dirigent 6% ? vervolg...

In vocaal nr. 5 september/oktober 2012 schreef ik over de zaak Cantiamo waarin de rechtbank besliste dat de diensten van een dirigent tijdens repetities toch in het lage 6% BTW tarief vallen als de repetities noodzakelijk zijn voor en sterk samenhangen met de uitvoering. Dit artikel heeft veel stof doen opwaaien en inmiddels passen vele dirigenten het lage tarief toe en hebben velen hun suppletieaangifte gehonoreerd gekregen.
Toch zijn er ook dirigenten die het niet aandurven om het lage tarief toe te passen omdat hun adviseur (boekhouder of accountant) hun zulks adviseert of men zelf met de belastingtelefoon is gaan bellen en men daar (natuurlijk) geen eenduidig antwoord heeft gekregen. Inmiddels is ook gebleken dat in de september editie van Fiscali Feiten p, 25-26 (nieuwsbrief van de Bond van Orkestdirigenten) een artikel heeft gestaan van Marco Kleinhout van VGK Accountants die ook het Cantiamo Vonnis besprak. Kleinhout heeft een andere kijk op de zaak. In deze korte bijdrage geef ik commentaar op de visie van Kleinhout.
Kleinhout stelt zonder een nadere bron te vermelden dat de staatssecretaris in 2010 heeft besloten repetities die noodzakelijk zijn voor en sterk samenhangen met de uitvoering in het lage tarief vallen maar dat de diensten van een 'vaste' dirigent niet in het lage tarief vallen. Kleinhout stelt terecht vast dat het begrip 'vaste' dirigent nadere uitleg behoeft en dat de staatssecretaris daarin in gebreke is gebleven. Zulks zou 'oneerlijke concurrentie' opleveren. Vanuit juridisch perspectief is oneerlijke concurrentie alleen vanuit civiel perspectief aan de orde. Wat Kleinhout waarschijnlijk bedoelt is dat in het bestuursrecht, het fiscale recht een vorm is van bestuursrecht, het rechtsbeginsel geldt dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld, het zogenoemde gelijkheidsbeginsel. Ook hier heeft Kleinhout een punt.
Vervolgens betoogt Kleinhout dat de uitspraak van de rechtbank in de zaak Cantiamo (Rechtbank Haarlem 5 oktober 2011, LJN BU9996) een sterk feitelijk karakter heeft en dat de uitspraak daarom alleen werking heeft in de specifieke situatie en niet in andere situaties. Deze opvatting deel ik niet. De uitspraak in de zaak Cantiamo is bepaald niet feitelijk. Ten eerste heeft de rechtbank de vraag of er sprake is van een 'vaste' dirigent (wat dat ook moge zijn) of niet, niet van belang gevonden. Ten tweede heeft ze wel de principiële vraag gesteld of repeteren en uitvoeren nou echt een andere prestatie is. De Rechtbank heeft daarbij aansluiting gezocht bij de zaak Card Protection Plan (Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 februari 1999, C-349/96), waaruit volgt dat elke verrichting normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd. Een verrichting waarbij economisch gesproken één prestatie wordt verleend, moet niet kunstmatig uit elkaar worden gehaald. Daarbij is van belang vast te stellen wat de kenmerkende elementen van de betrokken handeling zijn, om te bepalen of de consument, beschouwd als een modale consument, meerdere hoofdprestaties dan wel één enkele prestatie afneemt. Er is met name sprake van één prestatie ingeval één of meerdere elementen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen, terwijl één of meer andere elementen moeten worden beschouwd als één of meer bijkomende prestaties, die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen. Een prestatie moet worden beschouwd als bijkomend bij een hoofdprestatie, wanneer hij voor de consumenten geen doel op zich is, doch een middel om de hoofdprestatie van de ondernemer zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Tot slot stelt de rechtbank dat "gelet op het vorenstaande de optredens en de daarbij behorende repetities één economische prestatie vormen die niet kunstmatig uit elkaar mag worden gehaald".
Mijns inziens kan niet met droge ogen worden volgehouden dat dit geen uitspraak ten principale is.

Nogmaals, het is jammer dat de Belastingdienst het hoger beroep niet heeft durven doorzetten (hetgeen veel zegt), een arrest van het Hof zou meer gewicht in de schaal hebben gelegd dan het huidige vonnis. Dat neemt echter niet weg dat een dirigent (vast of niet vast) die door de Belastingdienst dreigt te worden gecorrigeerd omdat hij voor repetities die noodzakelijk zijn voor en sterk samenhangen met de uitvoering, het lage tarief toepast, met het vonnis in de zaak Cantiamo in de hand, een zaak heeft. Nadere informatie over de zaak (het hele procesdossier en bewijsstukken) is te raadplegen op www.musiconomie.nl

Mr. Dr. Ton Lamers is docent Musiconomie aan de ArtEZ Hogeschool voor de kunsten en postdoc aan de OU.
Deze informatie is verspreid via de KCZB – Voorschoten www.kczb.info

Ga terug ...

Westfries Mannenkoor Wognum
Die Haghe Sanghers
De Troubadours Hazerswoude
Die Gouwe Sanghers
Zoetermeers Mannenkoor
Haarlems Mannekoor Zang en Vriendschap
Rottes Mannenkoor
Noordzeezangers Katwijk
Politiekoor Entre Nous
Alphens Mannenkoor